Agenda
Oorzaken van variatie in welbevinden tijdens de adolescentie
- Startdatum20-01-2011
- Tijd13.45
- LocatieAula
- TitelCauses of variation in adolescent wellbeing
- SprekerN. van der Aa
- Promotorprof.dr. D.I. Boomsma
- OnderdeelFaculteit der Psychologie en Pedagogiek
- WetenschapsgebiedPsychologie, pedagogiek en onderwijs
- EvenementtypePromotie
Uit het onderzoek van Niels van der Aa blijkt dat de perceptie van gezinsfunctioneren, het meemaken van een echtscheiding, sportgedrag, internetgebruik en het hebben van emotionele en gedragsproblemen samenhangen met het gevoel van welbevinden. Het verband tussen welbevinden en de perceptie van gezinsfunctioneren, sportgedrag, emotionele problemen en gedragsproblemen blijkt voor een belangrijk gedeelte verklaard te kunnen worden doordat genetische factoren die welbevinden beïnvloeden tevens van invloed zijn op percepties van gezinsfunctioneren, sportgedrag, emotionele problemen en gedragsproblemen.
Psychologisch welbevinden kan worden gekarakteriseerd als een subjectief en aspecifiek positief gevoel van welbevinden. Uit eerder onderzoek is gebleken dat welbevinden deels erfelijk is bepaald. Individuele verschillen in welbevinden tijdens de adolescentie worden voor ongeveer 35-50% verklaard door genetische factoren. Van der Aa onderzocht welke factoren nog meer samenhangen met welbevinden en door welke mechanismen deze samenhang verklaard kan worden. Dit onderzoek werd uitgevoerd met behulp de gegevens van een grote groep tweelingen en hun boers en zussen afkomstig uit het Nederlands Tweelingen Register.
Het verband tussen welbevinden en de perceptie van gezinsfunctioneren, sportgedrag, emotionele problemen en gedragsproblemen blijkt voor een belangrijk gedeelte verklaard te kunnen worden doordat genetische factoren die welbevinden beïnvloeden tevens van invloed zijn op percepties van gezinsfunctioneren, sportgedrag, emotionele problemen en gedragsproblemen. In het verleden is bijvoorbeeld vaak aangenomen dat sportgedrag een causale invloed op welbevinden heeft, dus dat sporten leidt tot een hoger niveau van welbevinden. Uit het onderzoek van Van der Aa blijkt echter dat de samenhang tussen sportgedrag en welbevinden verklaard kan worden doordat genetische factoren die het welbevinden van een jongere beïnvloeden ook het sportgedrag beïnvloeden. Met andere woorden, of sporten een positieve invloed op welbevinden heeft, is mede afhankelijk van de genetische aanleg van een jongere.
Met betrekking tot het verband tussen welbevinden en de perceptie van gezinsfunctioneren wijzen de resultaten van Van der Aa’s onderzoek erop dat de wijze waarop jongeren hun welbevinden en gezinsfunctioneren evalueren, deel uitmaakt van een algemene kijk op het leven die wordt beïnvloed door genetische factoren. Dit suggereert dat de invloed van gezinsfunctioneren op welbevinden mede afhankelijk is van genetische factoren en niet alleen van gebeurtenissen binnen een gezin wat vaak wordt verondersteld.
Het proefschrift is te downloaden via VU-dare

