Autonomie van decentrale overheidsambten wel zo verstandig?

08-11-2018

13.45

Aula

Zelfstandigheid in gebondenheid

C.B.M. van Haaren-Dresens

prof.mr. A.E. Schilder, copromotoren prof.mr. J.M.H.F. Teunissen, Prof.mr. mr. dr. C.L.G.F.H. Albers

Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Rechten

Promotie

Decentrale overheidsorganen moeten 'als eerste overheid’ grote zelfstandigheid hebben maar moeten ook samenwerken met de medeoverheden. Reden genoeg om het onderscheid tussen autonomie en medebewind bij de bevoegdheden van decentrale bestuursorganen te vervangen door een concept waarin decentrale overheidsambten enerzijds zo veel mogelijk bevoegdheid in zelfstandigheid uitoefenen maar zich anderzijds omwille van de eenheidsstaat gebonden weten aan hun medeoverheden. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Ine van Haaren-Dresens naar de ontwikkelingen in interbestuurlijk toezicht.

De mate van autonomie van decentrale overheidsambten in een staat wordt wel een graadmeter voor het bestaan van daadwerkelijke democratie genoemd. De gedachte daarachter is dat overheidsmacht zo lokaal mogelijk moet worden uitgeoefend zodat optimaal rekening kan worden gehouden met de situatie van de burger. Dat sluit aan bij het subsidiariteitsbeginsel dat we kennen uit de rooms-katholieke sociale leer en bij het gedachtegoed van Tocqueville over decentrale gemeenschappen; ook met de uit de protestantse staatsleer bekende soevereiniteit in eigen kring bestaan raakvlakken.

Op deze ideeën en hun context gaat Van Haaren-Dresens in. In een gedecentraliseerde eenheidsstaat strijden de uitgangspunten van decentralisatie van bevoegdheid en van eenheid binnen de staat met elkaar. Die eenheid kan alleen worden verzekerd als er mechanismen zijn die kunnen bewerkstelligen dat ambten van de drie bestuurslagen met elkaar in de pas lopen.