Proefdieren in de wetenschap

De VU en VUmc doen onderzoek met behulp van proefdieren. Dat gebeurt met zeer goede redenen en op een verantwoorde manier. Over het gebruik van proefdieren voor wetenschappelijk onderzoek is tegenwoordig veel te doen, maar er is weinig feitelijke informatie over te vinden.

Code Openheid Dierproeven

In 2008 hebben VU en VUmc de Code Openheid Dierproeven ondertekend. Hiermee verplichten VU en VUmc zich om openheid te geven over het onderzoek en onderwijs dat zij met proefdieren uitvoeren. Om een zo breed mogelijk publiek te bedienen, staat informatie over het hoe, wat en waarom van dierproeven op de websites van VU en VUmc. Algemene informatie is in de afgelopen jaren aangevuld met meer gedetailleerde informatie. Beschrijvingen van uiteenlopende onderzoeksdoelen waarvoor dierproeven worden gedaan, zijn daar een voorbeeld van.

Wat is een proefdier?

Een proefdier is een levend, gewerveld dier. Dus een vis, amfibie, reptiel, vogel of zoogdier. Voorbeelden van proefdieren zijn een muis, een rat, een konijn, een kip of een geit. Muizen en ratten vormen de overgrote meerderheid van de proefdieren. In 2013 werden in Nederland in totaal bijna 527.000 proefdieren gebruikt, waaronder 257.000 muizen en 116.000 ratten.

We noemen een dier een proefdier als het wordt gebruikt voor (wetenschappelijk) onderzoek en als er een risico bestaat dat het dier daardoor 'ongerief' ervaart. Ongerief kan pijn zijn, maar het is breder dan dat. Het is het gemakkelijkst ongerief te zien als het omgekeerde van 'welzijn' of 'welbevinden'.

Een dier is dus een proefdier als het wordt gebruikt voor (wetenschappelijk) onderzoek en daarbij de kans loopt zich onprettig te voelen, pijn te hebben of te sterven.

Belangenafweging

Een dier pijn bezorgen of doden is natuurlijk nogal wat. Dat doe je als onderzoeker niet zomaar, daar moet wel iets erg belangrijks, een groter doel tegenover staan. Daarom mogen dierproeven alleen plaatsvinden als er absoluut geen andere mogelijkheid is. De noodzaak van het onderzoek moet duidelijk zijn en er is sprake van een belangenafweging. Aan de ene kant staat het belang van het proefdier en aan de andere kant het belang van het onderzoek. Voor ieder onderzoeksproject waarbij dierproeven worden gedaan moet een vergunning worden verleend door de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). De CCD vraagt daarbij advies aan een gespecialiseerde adviescommissie, de Dierexperimentencommissie (DEC). De DEC toetst of het belang van het onderzoek opweegt tegen het gebruik van de proefdieren en hun ongerief.

Bij de belangenafweging maken de CCD en de DEC onderscheid tussen wetenschappelijke en maatschappelijke belangen:

  • Bij wetenschappelijke belangen valt te denken aan hoe de informatie die met de dierproef wordt verzameld kan bijdragen aan de verdere groei van belangrijke kennis.
  • Bij maatschappelijke belangen valt te denken aan de baat die de samenleving heeft bij de uitkomsten van de dierproef. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als een dierproef een stap vormt op de weg die leidt tot de ontwikkeling van een nieuw medicijn of een nieuwe therapie.

Onderzoek

Binnen de VU en VUmc worden proefdieren alleen gebruikt voor biologisch en medisch onderzoek. Het gaat dan bijvoorbeeld om onderzoek naar de werking van de hersenen of het immuunsysteem of naar ziektes zoals kanker of multiple sclerose. Het is belangrijk om dergelijk onderzoek te doen om meer te weten te komen over hoe het lichaam functioneert, hoe bepaalde ziektes ontstaan en hoe ze  behandeld en genezen kunnen worden. De kennis van het menselijk lichaam en de behandelingsmogelijkheden voor veel aandoeningen zijn de afgelopen jaren steeds verder gegroeid en verbeterd. Maar we zijn er nog niet.

Voor veel aandoeningen zijn nog geen geschikte, succesvolle behandelmethoden bekend, of zijn de behandelingen niet bij alle patiënten effectief. Als we als maatschappij ook voor die aandoeningen (betere) behandelingen willen vinden is verder onderzoek essentieel. En helaas zijn dierproeven op dit moment nog onmisbaar voor veel van dit biomedische onderzoek.

Onderwijs en training

Op zeer beperkte schaal worden proefdieren ingezet voor het onderwijs aan biomedische studenten en de training van medisch specialisten, onderzoekers en biotechnici. Hoewel voor het overgrote deel van het onderwijs tegenwoordig gebruik kan worden gemaakt van alternatieve methoden, zoals computersimulaties, bestaat er voor enkele specifieke onderdelen van de opleiding nog geen volwaardig alternatief. Voor het oefenen van ingewikkelde operaties en dergelijke kunnen we op dit moment evenmin zonder proefdieren. Ook voor dierproeven ten behoeve van onderwijs en training is een vergunning van de CCD nodig; ook deze proeven worden vooraf getoetst door de DEC.

Alternatieven

Iedere dierproef wordt altijd vooraf op drie criteria beoordeeld, ook wel de "de 3 V's" genoemd:

  • Vervanging: het is bij wet vastgelegd dat een onderzoeker alleen een proefdier mag gebruiken als hij op geen enkele andere wijze antwoord kan krijgen op de onderzoeksvraag. Dus als er de keuze is tussen een dierproef of een andere techniek om iets uit te zoeken, dan moet de andere techniek worden gebruikt. Deze andere techniek vervangt dan de dierproef. 
  • Vermindering: een dierproef moet altijd worden gedaan met zo min mogelijk dieren. 
  • Verfijning: dit betekent dat de dierproef zo moet worden opgezet dat het proefdier het minste ongerief heeft.

Dierproeven vervangen door andere methoden, dat is wat we willen en daar wordt aan gewerkt. Er is nog veel meer onderzoek nodig naar alternatieven. Voor veel soorten onderzoek zijn dierproeven op dit moment helaas nog de enige beschikbare optie.

Zorgvuldigheid

De "3 V's" zijn een onderdeel van de zorgvuldige omgang met proefdieren. De morele verplichting om aan zo hoog mogelijke zorgvuldigheidseisen te voldoen is ook in de wet vastgelegd. Dat geldt ook voor de eisen aan de huisvesting en de verzorging van proefdieren. De VU en VUmc beschikken over moderne dierverblijven, waar goed opgeleid personeel de proefdieren verzorgt en dierproeven uitvoert. Wetenschappers moeten een speciale cursus 'proefdierkunde' volgen voor zij dierproeven mogen doen.

Verder is er grondig toezicht op dierproeven en de uitvoering ervan. Intern door de proefdierdeskundige, een specialist op het gebied van proefdieren en dierproeven, die onderzoekers adviseert over de optimale uitvoering van dierproeven. Daarnaast houdt ook de overheid toezicht. Inspecteurs bezoeken regelmatig de proefdierverblijven en controleren of aan alle wettelijke regels en eisen wordt voldaan.

Conclusie

Zo lang biomedisch onderzoek nodig is en dierproeven nog niet vervangen kunnen worden door proefdiervrije alternatieven, moeten deze zo zorgvuldig mogelijk worden uitgevoerd. Een grondige belangenafweging vooraf en zorgvuldige omgang met de dieren zijn al met al essentiële voorwaarden voor het doen van hoogwaardig proefdieronderzoek.